donderdag, februari 05, 2009

DJ John Solitude Live at The Dome - 01/01/2009 (2)

“KOYAANISQUATSI”
vertaling: Life Is Out Of Balance (uit het Hopi-Indiaans)


“If that’s all there is my friend, then let’s have a ball,
let’s break out the booze.
If that’s all there is.” – Peggy Lee Sue

Elke dj-sessie kende haar crescendo.
Nauwgezet opgebouwd naar een orgelpunt.

Boven het tumult buldert X mij toe:

- “Eisbär, weet je wanneer het een goede dag is?”
- “NEE”, schreeuw ik.
- “Als je ’s morgens in de spiegel kunt kijken en jezelf nog herkent.”

X en ik: we kenden elkaar 15 jaar.

Er waren géén interpretatieproblemen meer.
Eén blik volstond, synchroniciteit van het hoogste niveau.

Maar we hadden dan ook vaak in elkaars ogen,
de meest bodem - en uitzichtloze putten gezien.

In essentie kwam onze verstandhouding hierop neer:

als je in de shit zit, dan bel je mij én omgekeerd.

Of je mag mij ook bellen om een stem te horen die jou herkent.

X en ik: we waren het stadium voorbij elkaar nog raad te geven.
We kenden elkaars demonen en we aanvaarden ze.

Ik had met X subculturen verkend en omgangsvormen gezien,
waar een doorsnee burger enkel via studies en documentaires mee in aanraking kwam.

En waarom?

Omdat we nieuwsgierig waren: zoekend, tastend, we hadden de grenzen opgezocht.

En X zelfs tot er bijna voorbij. We probeerden iets af te schudden, als zat het ons op de hielen: getuige zijn rijstijl en die sprongen waarop X pas op het allerlaatste moment zijn parachute opende.

“Laat de verdomde fanfare er op los”, zegt X.

X bedoelde hiermee: iedereen is toch strontzat op een nieuwjaarsfeestje, we kunnen er maar helemaal een circus van maken. Het maakt niet uit wat je draait: it’s all entertainment.

Wij waren de hofnar van dienst.

We waren multicultureel, hij en ik.
Onwennig aangepaste kinderen van een neoliberale globale samenleving.
Volwassen geworden in een multimediale beeldcultuur met het internet als de grote smeltkroes. Vroeger ging je naar de cinema, nu downloaden we het.

Dat popcorn gefret werkte een mens toch maar op de zenuwen.

Voor ons de generatie die van jongs af aan om de oren werd geslagen met termen als
“quality time”, “concurrentiepositie”, en “flexibiliteit”.

De oudere generatie vroeg zich vaak af waarom hun sleutelkinderen ‘op de dool’ gingen.
Of egocentrisch en materialistisch werden.

Het was ieder voor zich, geen god voor ons allen.

Maar er waren die zeldzame unieke momenten van symbiose en verbinding.
Dat moment waarop je elkaar recht in de ogen kunt zien en volstrekt aanvaard wat je erin zag.

Ik heb vrijzinnigen, moslims, katholieken, boedhisten, academici, de man-met-de-pet en miet-met-het-vergiet, heroïnejunkies en gokverslaafden ontmoet, gesproken met mensen die schreeuwden om een uitweg of die met hun euforie geen weg wisten.

Vaak mensen waar de burger zijn neus voor op haalde vanwege hun doorgaans bedreigende vreemdheid. Honderden mensen, misschien duizend. Al die gezichten, al die stemmen.

De jongeren hadden de wereld geërfd zoals het hen was geschonken.
Als een complete puinhoop op de rand van de waanzin én een ecologische catastrofe:
waar alles te koop was, inclusief het recht om te vervuilen.

Hoe u aan geld raakte was niet van belang,
zo lang u het maar tevoorschijn kon toveren.

We snelden in volle vaart vooruit en wie af en toe in de achteruitkijk spiegel keek, zich afvragend waar hij of zij mee bezig was, die hield beter stug de blik op de horizon.
Erbij stilstaan was vaak te pijnlijk geworden:
doordoen, rouleren en koop uw kaartjes aan de kassa.

Een aardbol waar het westerse geëxporteerde cynisme regeerde,
waar het bonton was om met je ellebogen te zwaaien,
voor een plaats in het kiekenkot.

“Laat de verdomde fanfare er op los.”, zegt X.
De fanfare was een allusie op het einde van een Fellini-film.

Ik deed het niet meer zo vaak maar als ik gevraagd werd om achter een discobar te kruipen,
zinderde de adrenaline in mij. Ik zette mij schrap: alles of niets.

Alles geven tot je erbij neer ging.
Er was maar één ware beloning:
het moment waarop een zaal compleet uit zijn dak ging.

Dat moment was nu.

De grote truuk was om het geduldig op te bouwen,
en het dan te laten ontploffen.

“Laat de verdomde fanfare er op los.”, zegt X.

Ik trok de schuiver van de bas naar beneden,
zette de versterker nog wat luider tot het kot daverde op zijn moer,

Ik mixte er naadloos die verdomde fanfare in.
Zonder op de digitale synchronisatie knop te duwen,
puur op het gehoor. Like the good old times.

Die 5 minuten,
die finale, 't is zo intens:
als een bezetene in trance de schuivers van het mengpaneel bedienen:
synthesizers vermengden zich met de analoge volksfanfare.

Ik sloot mijn ogen en concentreerde mij louter nog op het ritme.
Analoge trommels die zich samensmolten met synthesizers:
in perfecte uniso.

Het publiek bewoog, hun glazen zwaaiend.

Eerst als een kabbeling,
dan als een golf,
tot een storm,
een oceaan.

“YIHAA”, zei ik.
“Eisbär, great performance: on-y-va?
”, vroeg X.

X zette de stroboscoop op gang,
drukte op de rookmachine,
X stopte de opnameknop, we deden de verdwijntruuk.

De muziek dreunde door.
De mensen dansten.

Klik HIER om te luisteren.